De tempel van Nefertari, ook bekend als de Kleine Tempel van Aboe Simbel, staat in Nubië, in het zuiden van Egypte. Ramses II gaf in de dertiende eeuw voor onze jaartelling opdracht tot de bouw. Het heiligdom is gewijd aan de godin Hathor en aan zijn grote koninklijke echtgenote, koningin Nefertari. Op de gevel verschijnen monumentale figuren van de vorst en de koningin op vergelijkbare schaal. Door het stijgende water na de bouw van de Hoge Aswandam werd de tempel bedreigd. In 1968 werd hij tijdens een internationale UNESCO-campagne gedemonteerd en op hoger terrein herbouwd. De tempel behoort tegenwoordig tot een werelderfgoedsite en is toegankelijk voor bezoekers.
Tempel van Nefertari
De tempel van Nefertari in Aboe Simbel: stichting, cultus en behoud
Een stichting van Ramses II in Nubië
De tempel van Nefertari, doorgaans de Kleine Tempel van Aboe Simbel genoemd, werd in de dertiende eeuw voor Christus gebouwd in opdracht van Ramses II, tijdens de negentiende dynastie van Egypte. Hij werd uitgehouwen in de rots nabij de grotere tempel die aan de koning en verschillende met het koningschap verbonden godheden was gewijd. Beide heiligdommen stonden oorspronkelijk in Neder-Nubië, dicht bij de zuidelijke grens van het door Egypte bestuurde gebied.
Deze ligging verbond religieuze activiteiten met een permanente voorstelling van het faraonische gezag in een streek die de verbindingen met zuidelijker gebieden beheerste. De Kleine Tempel bezat echter een eigen cultische identiteit. Hij was gezamenlijk gewijd aan Hathor van Ibsjek en aan Nefertari Meryenmoet, de grote koninklijke echtgenote van Ramses II. De oude naam, meestal vertaald als „Nefertari voor wie Re-Horachti straalt”, verbond de koningin rechtstreeks met de zonnesfeer en een goddelijke status.
De precieze voltooiingsdatum staat niet vast. Het monument behoort tot het vroegere deel van de lange regering van Ramses II, die ongeveer van 1279 tot 1213 voor Christus duurde. Mogelijk werd een deel van de decoratie afgewerkt nadat het heiligdom al in gebruik was genomen.
Nefertari, Hathor en de koninklijke voorstelling
De gezamenlijke wijding aan Hathor en Nefertari bepaalde de religieuze functie van de tempel. Hathor werd verbonden met moederschap, muziek, koninklijke bescherming en de zuidelijke gebieden. In het decoratieve programma wordt Nefertari nauw met de godin vereenzelvigd en in vergoddelijkte vorm voorgesteld. Zij draagt attributen van Hathor en neemt deel aan ceremoniën voor verschillende godheden.
Op de binnenreliëfs brengt de koningin offers, bespeelt zij het sistrum of begeleidt zij Ramses II bij rituele handelingen. Zij verschijnt daardoor niet alleen als echtgenote van de opdrachtgever, maar ook als ontvanger en actieve deelnemer aan de tempelcultus. Deze positie onderscheidt het heiligdom van monumenten waarin koninklijke vrouwen een ondergeschikte plaats innemen binnen de officiële beeldtaal.
De gevel drukt die status uit door middel van schaal. Zes staande kolossen omgeven de ingang: vier stellen Ramses II voor en twee Nefertari. De beelden van de koningin zijn bijna even hoog als die van de koning, in afwijking van de conventie om een koninklijke echtgenote aanzienlijk kleiner weer te geven. Kleinere beelden van koninklijke kinderen vervolledigen de compositie en plaatsen de religieuze boodschap in een dynastiek kader.
In het heiligdom wordt deze samenhang voortgezet door een voorstelling van Hathor als een koe die uit de berg lijkt te komen en Ramses II beschermt.
Van oud heiligdom tot moderne documentatie
De duur van de actieve eredienst in de Kleine Tempel is niet nauwkeurig gedocumenteerd. Na het verdwijnen van de faraonische culten verloor hij zijn oorspronkelijke religieuze functie. Rond de monumenten van Aboe Simbel hoopte zich geleidelijk zand op, waardoor zij meer geïsoleerd raakten. De gevel van de Kleine Tempel bleef echter beter zichtbaar dan een groot deel van de naburige Grote Tempel.
De Europese documentatie van Aboe Simbel begon aan het begin van de negentiende eeuw. Johann Ludwig Burckhardt beschreef de locatie in 1813, waarna Giovanni Battista Belzoni in 1817 deelnam aan het vrijmaken van het tempelcomplex. De Kleine Tempel werd vervolgens vastgelegd in tekeningen, bouwkundige opmetingen, foto’s en epigrafische studies. Deze documenten registreerden de toestand van de beelden, reliëfs en inscripties voordat in de twintigste eeuw ingrijpende werkzaamheden plaatsvonden.
Verplaatsing en huidige conservering
De bouw van de Hoge Aswandam dreigde Aboe Simbel onder het water van het toekomstige Nassermeer te laten verdwijnen. UNESCO begon in 1960 een internationale campagne voor de redding van de Nubische monumenten. Tussen 1964 en 1968 werden beide tempels in genummerde blokken gezaagd, verwijderd en opnieuw samengesteld in kunstmatige heuvels die het uiterlijk van hun oorspronkelijke omgeving moesten benaderen.
Het gereconstrueerde complex bevindt zich ongeveer 64 meter hoger en 180 meter landinwaarts ten opzichte van de vroegere locatie. De onderlinge positie van de Grote Tempel en de tempel van Nefertari bleef behouden, evenals hun belangrijkste oriëntaties en interne opeenvolging van ruimten. Aboe Simbel werd op 22 september 1968 officieel op de nieuwe plaats geopend.
De verplaatsing behield de gevel, binnenruimten, inscripties en het grootste deel van de gebeeldhouwde decoratie, maar veranderde de materiële context definitief. De antieke oppervlakken maken nu deel uit van een reconstructie die door moderne structuren wordt ondersteund. Het behoud betreft daarom zowel de zandstenen blokken als de twintigste-eeuwse draagconstructie, de voegen en de omgevingsvoorwaarden in de tempel.
In 1979 werd de tempel opgenomen op de Werelderfgoedlijst van UNESCO als onderdeel van het seriële werelderfgoed „Nubian Monuments from Abu Simbel to Philae”. Hij is toegankelijk voor bezoekers en heeft een culturele betekenis als getuigenis van Nefertari’s koninklijke status, de aanwezigheid van Ramses II in Nubië en de internationale reddingscampagne.
Gelijktijdige ontwikkelingen in de wereld
In de dertiende eeuw voor Christus waren de Myceense paleiscentra op het Griekse vasteland nog actief, voordat zij tegen het einde van de eeuw achteruitgingen. De Shang-dynastie bestuurde delen van China vanuit de omgeving van Anyang en vervaardigde verfijnde rituele bronzen. Babylonië werd geregeerd door de Kassitische dynastie, terwijl het Hettitische Rijk een groot deel van Anatolië beheerste en een belangrijke macht in het oostelijke Middellandse Zeegebied bleef.
De rotstempel van Nefertari in Aboe Simbel: ligging, plattegrond en architecturale compositie
Een tempel uitgehouwen in het rotsmassief
De tempel van Nefertari, ook bekend als de Kleine Tempel van Aboe Simbel of de Hathortempel, bevindt zich ten noorden van de Grote Tempel van Ramses II. Oorspronkelijk was hij rechtstreeks uitgehouwen in een zandstenen rotsformatie die boven de Nijl uitrees. De gevel was naar het oosten gericht, terwijl het interieur zich langs een lengteas naar het westen uitstrekte. Vanaf de ingang dringt het monument ongeveer eenentwintig meter in het gesteente door.
Het gebouw is een uit de rots gehouwen speos: de gevel, ruimten, pijlers en het heiligdom ontstonden door materiaal uit de vaste rotsmassa weg te nemen, niet door metselwerk op te trekken. Deze subtractieve werkwijze vereiste een nauwkeurige controle van de asrichting, vloerniveaus, wanddikten en plafondhoogten. De plafonds bestaan uit zandsteen dat boven de uitgegraven ruimten behouden bleef. De pijlers in de eerste zaal ondersteunen het dak in het breedste deel van het interieur.
De Kleine Tempel heeft geen open voorhof of vrijstaande pyloon. Het rotsoppervlak imiteert echter een pyloonvormige gevel, waarna de ingang rechtstreeks toegang geeft tot de hypostyle zaal. De compacte plattegrond bewaart een hiërarchische opeenvolging van de ceremoniële zaal en de dwarse vestibule tot de meer besloten eindvertrekken.
De pyloonvormige gevel en de zes kolossen
De gevel is ongeveer achtentwintig meter breed en twaalf meter hoog. Schuin aflopende steunberen, uit het zandsteen gehouwen en met inscripties bedekt, begrenzen zes nissen met staande kolossale beelden. De compositie is symmetrisch opgebouwd rond de centrale toegang.
De zes kolossen zijn bijna tien meter hoog. Vier stellen Ramses II voor en twee Nefertari. Aan weerszijden van de ingang staat één figuur van de koningin tussen twee voorstellingen van de koning. Elke figuur plaatst het linkerbeen naar voren en behoudt een frontale houding. De herhaling verleent de gevel een regelmatig ritme, terwijl kronen en attributen de afzonderlijke koninklijke figuren onderscheiden.
Nefertari draagt een hoge hoofdtooi met koeienhorens rond een zonneschijf en twee veren, kenmerken die naar Hathor verwijzen. De beelden van Ramses II dragen verschillende koninklijke kronen. De bijna gelijke hoogte van koning en koningin vormt het opvallendste proportionele kenmerk van de gevel. Zij wijkt af van de gebruikelijke verkleining van een koninklijke echtgenote naast de farao en geeft architectonisch uitdrukking aan de dubbele wijding van de tempel.
Kleinere figuren naast de kolossen stellen prinsen en prinsessen voor die rond hun ouders zijn gerangschikt. Hun beperkte afmetingen vormen een dynastieke schaalhiërarchie. De smalle rechthoekige deur, bekroond door een fries van uraeusslangen en axiaal geordende scènes, contrasteert met de kolossen. Een cavetto-kroonlijst voltooide de bovenzijde van het uitgehouwen gevelfront.
De hypostyle zaal en de interne verdeling
De ingang opent naar een vrijwel vierkante hypostyle zaal, het grootste binnenvolume. Zes vierkante pijlers in twee rijen van drie verdelen haar in drie langsschepen en versterken de centrale as. Uit de rots gespaarde architraven verbinden de pijlers en brengen geleding aan in het plafond.
De pijlers hebben een Hathorische vormgeving. Hun naar het middenschip gerichte zijden dragen het gestileerde gezicht van Hathor boven een vorm die aan het handvat van een sistrum herinnert. Op de overige vlakken staan Nefertari, Ramses II en verschillende godheden. De dragende elementen maken daardoor integraal deel uit van het figuratieve programma.
Drie deuren in de westelijke wand leiden naar een dwarse vestibule die breder dan diep is. Een centrale opening geeft vervolgens toegang tot het heiligdom, terwijl zijopeningen twee kleinere vertrekken ontsluiten. Deze ruimten zijn soberder behandeld en sommige oppervlakken lijken slechts gedeeltelijk afgewerkt.
Het heiligdom ligt achteraan op de as van de ingang en het middenschip. Een nis in de westelijke wand bevat Hathor in de gedaante van een koe die uit de berg lijkt te komen en Ramses II beschermt. Het beeld blijft met de ondergrond verbonden en benut de continuïteit tussen de goddelijke voorstelling, de kamerwand en het uitgegraven rotsmassief.
Decoratie als onderdeel van de architectuur
De reliëfs zijn rechtstreeks aangebracht in wanden, pijlers, deurposten en deuromlijstingen. Hun verdeling versterkt de hiërarchie van de ruimten. Grote composities vullen de beschikbare wandvlakken van de hypostyle zaal, terwijl de pijlers verticale scènes dragen die aan hun verhoudingen zijn aangepast.
De decoratie verbindt Nefertari met het sistrum, het rituele instrument van Hathor, en toont Ramses II tijdens offerhandelingen. Hathor, Isis, Maät, Moet, Satis, Horus, Chnoem en Thot verschijnen op de verschillende dragers. Hun plaatsing begeleidt de beweging door het gebouw naar het Hathorische heiligdom.
In de vestibule biedt het koninklijke paar papyrusplanten aan Hathor aan, die als een koe tussen vegetatie is voorgesteld. Andere reliëfs tonen offers aan Horus en aan godheden die met het gebied van de cataracten verbonden waren. Kleinere rituele scènes zetten dit programma voort langs de wanden van het heiligdom.
Op sommige binnenreliëfs zijn kleursporen bewaard. De polychromie onderscheidde lichamen, kleding, kronen, hiërogliefen en decoratieve registers. Daglicht kwam hoofdzakelijk door de ingang naar binnen, nam af in de vestibule en was in het heiligdom zeer beperkt. Deze lichtafname versterkte de visuele scheiding tussen de opeenvolgende ruimten.
Verplaatsing en moderne draagconstructies
Tussen 1964 en 1968 werd de tempel gedemonteerd om hem te beschermen tegen het stijgende water als gevolg van de Hoge Aswandam. De Kleine Tempel werd in 235 blokken verdeeld. De zaagsneden liepen door de gevel, beelden, wanden, plafonds en reliëfs volgens trajecten die schade aan gebeeldhouwde oppervlakken moesten beperken.
De genummerde onderdelen werden ongeveer 64 meter hoger en 180 meter landinwaarts opnieuw samengesteld. De ruimten en gevel werden rond een constructie van gewapend beton opgebouwd en vervolgens afgedekt om het uiterlijk van een rotsformatie te herstellen. Met mortel gevulde voegen werden waar mogelijk verborgen in de reliëfs en zandstenen oppervlakken.
De ingreep behield de oriëntatie, de interne as en de visuele relatie met de Grote Tempel, maar veranderde het constructieve systeem. Het monument is nu een assemblage van antieke blokken die door een moderne omhulling wordt ondersteund. De architecturale conservering betreft daardoor het oorspronkelijke zandsteen, de montagevoegen, betonnen dragers, kunstmatige rotsformatie en binnenomstandigheden die de gebeeldhouwde oppervlakken beïnvloeden.

Français (France)
English (UK)
